Het ConcertDe bloeiende acacia’s, fruitbomen en bejaarde cactushagen vormen het decor voor een geluidenwaterval van vogelzang.
Het klinkt als een orkest dat de instrumenten stemt voordat de dirigent op het podium verschijnt, een gezellige chaos van violen, hobo’s en klarinetten, waarin de klaterende dwarsfluit van de merel, de ijle fagot van de uil en het slagwerk van de paukenist de specht duidelijk te onderscheiden zijn.
De frisse wind mengt de ruisende eucalyptusbladeren en het zoemen der bijen en hommels rond de meidoorn tot een geroezemoes van toeschouwers die hun plaatsen innemen.
De valken, hoog in de lucht hun cirkels draaiend, verschrikken de kwartel die voorbarig applaudisseert met een werveling van klapwiekende vleugels, wat de kippen van de boerderij met schuin opgeheven hoofd doet luisteren, sceptisch als recensenten omhoogkijkend naar de hemel, met stekend kraaloog.
De zon trekt met zijn felle, gele schijnwerpers de intens blauwe gordijnen open.
Ik vlij mij midden in de zaal op het zachte, met bloemen bezaaide grastapijt en weet dat de voorstelling ieder ogenblik kan beginnen.
De dirigent laat op zich wachten, hij zoekt de partituur van deze symfonie, die alleen de natuur in zo’n prachtige, veelkleurige anarchie van bruisend leven kan voortbrengen.
Plotseling verandert het bijna surrealistische geweld in een melodieuze harmonie, wanneer een jongetje dat van school thuiskomt, als een kleine mystieke leider op het groene podium neerdaalt in een regen van roze en witte bloesems, een engeltje met gouden vleugels: de gewone menselijke liefde.
Het concert is begonnen.
De stilteNa de regenbui schuieren de schapen hun druipende ongekamde vachten langs de vijgenbomen, op weg naar de stal, passend be-geleid door de monotone zang van de koekoek, die het laatste daglicht prijst.
De thee staat op de musmar, een stoof van aardewerk, gevuld met gloeiend houtskool.
De familie zit nog lang, zwijgend bijeen, in wijkend bewustzijn.
Wanneer ik met de jongens naar buiten loop, is de lucht vol frisse zuiverheid en zuurstof, zodat we weer klaarwakker zijn, naakt in de nog maanloze avond plassen en even de ronde doen, langs de akkers en boomgaarden, waar de ivoren bries onze huid kust met strelende adem.
Aan het einde van het grasland, waar het bos donker oprijst uit de grijze aarde, horen we het knorren, wroeten en de schrille schreeuw van wilde zwijnen. De hond spant de nekharen en blijft doodstil, in respect voor het mysterieuze leven van de nacht.
Larbi is verstard tot een marmeren beeld, luisterend in de duisternis naar de gejaagde, juichende ademhaling van Saturo’s in het bos.
Zachtjes zegt de jongen: ‘Als straks de maan gaat schijnen moeten we weer opstaan, dan komen ze wroeten bij de bomen op de weide en worden gevangen in de stalen klemmen, die hun gehoefde poten breken. We zullen vader zeggen dat hij de klemmen spannen moet.’
‘Stil toch jongen, stilte, stilte,’ zeg ik, hem bij zijn schouders beschermend afwendend voor de terugweg, ‘laat de verschrikkelijke saters met rust. De zon heeft haar lampen in de zee gedoofd, de symfonie van duizend vogels is verklonken, een verre uil blaast nog een slotakkoord nu de maan langzaam door de nevels dringt. Wij mensen hebben deze adempauze nodig, waarin Cupido onvervulde liefdes fluistert tot het concert opnieuw begint.
‘Als de haan bij dageraad Bis! Bis! kraait.’
Meisje in Tanger (fragment)
Het laatste stukje lopend naar het huis waar de jonge Khadisja woont, die mij tientallen brieven schreef in haar onbeholpen Frans, kom ik al bekenden tegen. Ze roepen van verre en de kleine Rachid rent weer terug om het nieuws van mijn komst aan te kondigen, zodat direct achter de open deur zijn zusje al in mijn armen vliegt, me meetrekt naar de kamer, me de kop haast van het lijf scheurt en dan haar kleren openslaat zeggend: ‘Kijk eens hoe ik gegroeid ben.’
Zomaar, spontaan, omdat ze zo blij is, omdat ze van mij houdt, zo lief, zo zonder vrees voor erotiek en haar ontluikende seksualiteit.
Omdat ik teruggekomen ben en haar bewonder.
‘Kijk eens hoe ik gegroeid ben.’
Ze toont trots twee handjesvol wit, mollig vlees. Twee kleine borsten, uitmondend in fiere tepels omcirkeld door de ringen van Saturnus, geschilderd door Leonardo da Vinci zélf, toen een van de pleegzoontjes waar hij zoveel schoenen voor kocht, in een speels en onbewaakt moment wat zwarte inkt over het roze van zijn palet had gemorst. Artiesten hebben altijd veel kunnen verdragen en overgehad voor kleine jongens.
Later in het avontuurlijke bed op de grond, dat zo inspirerend werkt op de fantasie en een gevoel geeft van absolute vrijheid door de gebondenheid met de veilige aarde, blijkt haar onbeschroomdheid geen grenzen te kennen, als ik in de fluweel-donkere maanloze nacht haar vormen aftast, van top tot teen, langs wegen en welvingen die voeren naar haar hart en deze nacht vergelijk met andere nachten, te lang geleden, en mij blijkt dat alles leeft, verandert en groeit, ook als je er niet bij bent, stroomt als een rivier, de levensrivier, als ik besef wat deze nacht voor mij betekent, hoe een warme genegenheid kan uitgroeien tot een hartstochtelijke liefde.
De warme genegenheid van een ontluikend kind, even eenzaam als ikzelf, maar samen eenzaam in een eindeloze nacht, waarin onze gestalten ineensmelten tot één grote, onuitgesproken, eeuwigdurende tweezame eenzaamheid.
Het hele universum, met de stoffelijkheid der sterren, is opgegaan in onze ineengestrengelde liefde, onze lichamen ineengezogen weg-glijdend in de diepte van de stilstaande tijd.
Doch in de vroege ochtend wekt ons met het eerste licht de melodieuze stem van de Arabische voorzanger, die de bevolking tot Allah brengen wil, wat iedereen wegroept naar iets waar wij niets mee te maken hebben, zodat we nog eens in absolute verlatenheid intens elkaars lijven kunnen voelen in een verdovende extase.
Wanneer vader Mohammed thuiskomt van zijn reis naar God, keren ook wij tot de werkelijkheid terug en begint de tijd weer mee te tellen. We voelen de honger en de dorst en we roepen, nog steeds verbonden tot één stem: ‘Amina! Breng brood, boter, kaas en thee!’
De wat oudere Amina brengt het ontbijt welwillend, delend in onze vervoering. Ze draagt een witte djellaba, heeft slecht geslapen, de ogen staan dof, haar hoofd is vol onmogelijke krulspelden, haar borsten zijn slap en haar hart leeg als de borden van gisteren.
‘Tiens,’ zegt ze en ze is al weer weg, want ze zag een glimp van onze intieme, lichtschuwe lichaamsdelen, die in de uren der liefde verborgen moeten blijven.
Liefdesgeluk is een geheim van de natuur. Je mag er pas over spreken als het voorbij is, om het terug te roepen.
Vrienden in Gueznaia (fragment)
Op kussens rond de lage tafel zittend eten we de zelfgeslachte kip, de zelfverbouwde groente en drinken we zwijgend de verse pepermuntthee. Je ziet en hoort dat het iedereen smaakt. Woorden zijn overbodig, want liefde vult de kleine ruimte met een levende warmte, door de puur menselijke visie van een eenvoudige familie voor de natuurgebondenheid van het bestaan, in werk, genot en hartstocht.
Marokko.
Een rijk land, met eeuwenoude tradities, een prachtig klimaat en een weergaloos landschap, zon, zee, een zilveren maan in heldere nachten, vruchtbare velden, besneeuwde bergketens, ongerepte bossen en gouden stranden met de spelende jeugd als de mat-glanzende jongetjes op het schilderij
Niños jujando en la playa van Sorolla in het Prado van Madrid.
Na een halve eeuw heb ik een ander bestaan leren kennen en voel ik de echte, verwoordbare liefde van een dichter voor een land, zo vol romantiek en drama, zo vol blijheid en hartelijkheid, zo vol levende schilderijen, met kleuren, harmonisch als de natuur zelf, waar de schoonheid van deze wereld nog zo puur en alom aanwezig is, in de sprankelende ogen, in de levendige gebaren, in de rankheid van de gestalten, tot in de allerverste uithoeken van Medina’s en Atlasgebergte.
Marokko.
Waar mijn liefde is, is mijn thuis.
Een gewone dag (fragment)
Door een slapende stad leg ik de lange weg af naar mijn auto, vergezeld door de vader en aan de hand van Abdul, alsof ik zijn kleine broertje ben, want het is te gevaarlijk voor een Europeaan om ’s avonds laat alleen door de Medina te lopen.
Ik kan niet wegrijden voor ik beloofd heb om morgen tegen twee uur terug te komen, dan zullen ze mij onthalen op een feestmaal: couscous met lamsboutjes en rozijnen, zonder darmen en koppen, verzekert de vader.
Onderweg naar huis denk ik met voldoening dat mijn kennissenkring steeds gevarieerder wordt en eet de laatste plakjes salami uit de boodschappentas.
Ook de kaas is aangevreten door scherpe kindertandjes en het schrijfpapier heb ik vergeten, maar wie wil er nu nog schrijven!
Verhalen schrijven doe je uit eenzaamheid.
(Wordt vervolgd)Ga voor De Boeken van David Das naar
w w w. d a v i d d a s .n l